Bestuurdersaansprakelijkheid en artikel 2:11 BW

Bestuurdersaansprakelijkheid en artikel 2:11 BW

Op 17 februari jl. heeft de Hoge Raad een nieuw arrest (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:275) toegevoegd aan het leerstuk ‘bestuurdersaansprakelijkheid’. In dit arrest laat de Hoge Raad zich uit over de verhouding tussen bestuurdersaansprakelijkheid krachtens onrechtmatige daad en artikel 2:11 Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel 2:11 BW

Artikel 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon ook rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Kortom, ingeval de rechtspersoon-bestuurder als bestuurder aansprakelijk is, kan ook de natuurlijke persoon achter de rechtspersoon-bestuurder worden aangesproken. De ratio van de bepaling is te voorkomen dat een natuurlijk persoon zich verschuilt achter de rechtspersoon-bestuurder bij benadeling van schuldeisers door slecht of onbehoorlijk bestuur.

Reikwijdte

Niet ter discussie stond dat artikel 2:11 BW van toepassing was en is als een bestuurder vanwege onbehoorlijk bestuur aansprakelijkheid is. Discussie was er wel of artikel 2:11 BW van toepassing is als de bestuurdersaansprakelijkheid ontstaat door een onrechtmatige daad.

Door sommigen is naar voren gebracht dat door toepassing van artikel 2:11 BW bij aansprakelijkheid krachtens onrechtmatige daad een indirect bestuurder soms eerder aansprakelijk is dan een direct bestuurder. Artikel 2:11 BW zou op die wijze ingaan tegen de vereisten van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Bij bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is namelijk vereist dat iedere bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Toepasselijkheid van artikel 2:11 BW leidt ertoe dat iedere indirect bestuurder direct aansprakelijk is wanneer de rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is. De schuldeiser behoeft dan niet te bewijzen dat de natuurlijke persoon achter de bestuurder-rechtspersoon persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Arrest

In het arrest van 17 februari 2017 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar de tekst, de ratio en de wetsgeschiedenis geoordeeld dat artikel 2:11 BW van toepassing is in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet. Daaronder valt, volgens de Hoge Raad, ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op onrechtmatige daad. De aansprakelijkheid rust dan ook hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. De schuldeiser behoeft niet aan te tonen dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Zich ervan bewust dat hierdoor een indirect bestuurder eerder aansprakelijk is, bepaalt de Hoge Raad verder dat een bestuurder van die rechtspersoon-bestuurder aansprakelijkheid krachtens artikel 2:11 BW kan voorkomen. Dat volgt, aldus de Hoge Raad, uit de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. De bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder dient dan aan te tonen dat hem/haar persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd. De bewijslast komt dus op de natuurlijke persoon achter de rechtspersoon-bestuurder te liggen.

Door Hans Hommel