Contractuele beperking en uitsluiting van de aansprakelijkheid

In haast alle handelscontracten wordt de aansprakelijkheid van de leverancier of dienstverlener (“schuldenaar”) beperkt en, of deels uitgesloten. Dergelijke exoneratieclausules worden meestal ‘weggestopt’ in de algemene voorwaarden. Veelal wordt in die clausules de aansprakelijkheid voor directe schade beperkt tot een bepaald maximum en indirecte- of gevolgschade geheel uitgesloten.

De vraag is altijd hoe ‘hard’ dit soort exoneratieclausules zijn. Begin dit jaar hebben de rechtbank Rotterdam en het hof Amsterdam daarover uitspraken gedaan.

Rechtbank

In de Rotterdamse zaak had een ict-dienstverlener, GreenCat, een fout gemaakt. GreenCat beriep zich op het exoneratiebeding waarin zij haar aansprakelijkheid voor indirecte schade uitsloot en voor de directe schade maximeert tot het totale factuurbedrag, een en ander behoudens opzet of grove schuld. Het exoneratiebeding geeft een zeer ruime definitie van het begrip indirecte schade, terwijl het begrip directe schade erg beperkt wordt uitgelegd. De wederpartij, een transportbedrijf, is van mening dat het beroep op het exoneratiebeding om een aantal redenen niet op gaat.

Partijen komen er niet uit en de zaak komt voor. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie de beantwoording van de vraag of een geldig beroep op een exoneratiebeding kan worden gedaan, afhankelijk is van de waardering van tal van omstandigheden, zoals: de zwaarte van de schuld, mede in verband met de aard en de ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen, de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de maatschappelijke positie en de onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen en de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest.

Vervolgens kleurt de rechtbank aan de hand van dit criterium de zaak in. Vast staat dat de softwareapplicatie niet goed functioneerde, waardoor het transportbedrijf aanzienlijke schade heeft geleden. Van belang is verder dat sprake is van een deskundige ict-leverancier aan de ene kant en dat er aan de andere zijde weliswaar sprake is van een professionele partij, maar niet een die deskundig is op het ict-gebied. Verder stond vast dat GreenCat de wensen en mogelijkheden goed in kaart had gebracht, en zich zodoende een goed beeld had gevormd over welke functionaliteiten de softwareapplicatie diende te beschikken. Ook relevant is dat de exoneratieclaule is opgenomen in de algemene voorwaarden en vast staat dat partijen daarover niet hebben onderhandeld. Voor wat betreft de inhoud van het beding, is de rechtbank van oordeel dat de definiëring van de begrippen indirecte en directe schade zodanig is, dat het beding de facto tot een nagenoeg algehele uitsluiting van aansprakelijkheid leidt, wat tot gevolg heeft dat bij de ict-leverancier onvoldoende prikkel overblijft om een goed product af te leveren. Dit maakt het beding onredelijk.

Anderzijds is eveneens relevant de verhouding tussen de relatieve geringe beloning van de ict-leverancier tegenover de zeer grote aansprakelijkheidsrisico’s die zij loopt bij een fout. Om die reden beperken softwareleveranciers hun aansprakelijkheid voor gevolgschade tot een maximum, zoals bijvoorbeeld het factuurbedrag. Dat vindt de rechtbank gerechtvaardigd, want als dit soort exoneratieclausules buiten toepassing zouden blijven, kunnen ict-bedrijven hun aansprakelijkheidsrisico’s slechts tegen hoge premies verzekeren, die zij vervolgens zullen doorberekenen aan de klant, hetgeen weer tot hoge prijzen leidt.

Al wikkend en wegend beslist de rechtbank dat de exoneratieclausule geen werking heeft voor wat betreft de uitsluiting van alle aansprakelijkheid voor (de te ruim geformuleerde) indirecte schade, voor zover het schade betreft die een bedrag van het totaal aan facturen niet overstijgt. Voor schadebedragen daarboven, kan GreenCat zich wel op de contractuele beperking van haar aansprakelijkheid beroepen. De vordering van de transportonderneming is dus zowel voor de indirecte als de directe schade toewijsbaar tot € 180.000, zijnde het in de exoneratieclausule genoemde maximum der factuurbedragen.

Hof

Tempo-Team geeft een deurwaarder per e-mail de opdracht om de brief waarin zij de huur opzegt aan de verhuurder te betekenen. Het gaat mis, de e-mail komt niet aan. De verhuurder heeft het opzeggingsexploot niet ontvangen en Tempo-Team zit vast aan een nieuwe periode van 5 jaar. Uiteindelijk is de zaak geschikt tegen betaling van een afkoopsom ter grootte van het verschil tussen de door Tempo-Team te betalen huurprijs en de nieuwe, lagere huurprijs die een gevonden nieuwe huurder bereid is te betalen. Daarnaast geeft Tempo-Team een garantie af tot maximaal € 160.000 voor de verplichtingen van die nieuwe huurder.

De deurwaarder wordt aansprakelijk gesteld, maar beroept zich op zijn algemene voorwaarden met daarin de volgende exoneratie:

  1. De opdrachtnemer is slechts aansprakelijk voor schade, indien de opdrachtgever aantoont dat deze is veroorzaakt door de opzet of grove schuld van de opdrachtnemer, dan wel diens ondergeschikten.
  2. Iedere aansprakelijkheid van de opdrachtnemer is beperkt tot het bedrag dat in het desbetreffende geval uit hoofde van de door zijn gesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt uitbetaald.

De rechtbank acht opzet en grove schuld onbewezen. Toch gaat het beroep op de uitsluiting van alle aansprakelijkheid niet op, omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De deurwaarder wordt veroordeeld tot betaling van de afkoopsom en is tevens aansprakelijk voor de garantie, mocht die worden ingeroepen.

De deurwaarder gaat tevergeefs in hoger beroep. Het hof vindt dat Tempo-Team terecht stelt dat de deurwaarder tegen dit soort claims verzekerd is, hij ernstig tekort is geschoten en voor hem voorzienbaar was dat Tempo-Team grote schade zou lijden indien de huuropzegging niet ontvangen wordt. Daarbij komt dat de deurwaarder geen gevolg heeft gegeven aan een (wel ontvangen) e-mail van Tempo-Team waarin zij vraagt of hij de opdracht goed ontvangen heeft. Door daarop niet adequaat in te zijn gegaan, heeft de deurwaarder betrekkelijk eenvoudige maatregelen ter voorkoming van aanzienlijke schade achterwege gelaten. Het feit dat de opdrachtsom slechts € 125 bedroeg, brengt daarin geen verandering omdat voor vele opdrachten aan een deurwaarder zal gelden dat het honorarium relatief gering is in verhouding tot de belangen die daarmee gemoeid zijn.

Alhoewel van opzet en grove schuld geen sprake is, luidt de slotsom dat de deurwaarder zich niet op de uitsluiting van alle aansprakelijkheid kan beroepen. Wel kan hij zich beroepen op de beperking van de aansprakelijkheid tot het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag, minus zijn eigen risico.

Moraal van het verhaal

Voor degenen die gebruik maken van exoneratieclausules, de tip niet te hoog in de boom te gaan zitten. Door onredelijke clausules gaat een streep en er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de rechter die niet zal converteren in een redelijk beding (zie de Rotterdamse zaak).

Diegenen die een exoneratie voor de voeten krijgen geworpen, wordt geadviseerd die te laten beoordelen. De twee rechtszaken tonen aan dat het aanvechten van zo’n beding meer dan de moeite waard kan zijn.

Door Lodewijk Westerwoudt