Het gewijzigde jaarrekeningenrecht

Door Hans Hommel

 

 

Wellicht zult u hebben vernomen dat het jaarrekeningenrecht behoorlijk is gewijzigd met de inwerkingtreding op 1 november 2015 van de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening. Deze wet, die strekt tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is een uitvloeisel van de Europese richtlijn 2013/34/EU betreffende de jaarrekening. De Europese richtlijn en de Uitvoeringswet hebben ten doel het jaarrekeningenrecht te moderniseren, te vereenvoudigen, te harmoniseren en de administratieve lasten te verlichten.

De wijzigingen zijn van toepassing op de boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016, maar mogen ook worden toegepast op boekjaren van vóór 1 januari 2016.

De meest in het oog springende wijzigingen worden hieronder voor u kort op een rijtje gezet.

 

1. Bestuursverslag

 

In het vervolg dient niet meer over jaarverslag, maar over bestuursverslag te worden gesproken. De term bestuursverslag zou namelijk beter aansluiten bij de praktijk. Uw accountant dient voorts te onderzoeken of het bestuursverslag materiële onjuistheden bevat. Wat onder ‘materiële onjuistheden’ wordt verstaan, vertelt de Uitvoeringswet helaas niet. De Richtlijn verschaft evenmin duidelijkheid.

 

2. Inrichting van de jaarrekening

 

Ook zijn de voorschriften omtrent afschrijvingen gewijzigd. Goodwill mag niet meer worden afgeboekt van het eigen vermogen, maar mag evenmin ineens ten laste van het resultaat worden gebracht. Onderzoekskosten worden niet langer als immateriële activa aangemerkt. Bovendien is de afschrijvingstermijn voor goodwill en ontwikkelingskosten gemaximeerd tot tien jaar.

 

3. Verkorting termijnen

 

Binnen vijf maanden na afloop van een boekjaar dienen (besturen van) NV’s en BV’s de jaarrekening op te maken en ter inzage te leggen. Deze termijn kan, zoals bekend zal zijn, worden verlengd. Deze verlengingstermijn is door de Uitvoeringswet verkort van zes maanden naar vijf maanden.

Besturen van andere rechtspersonen (stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen) dienen binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening op te maken en ter inzage te leggen. Ook voor deze rechtspersonen bestaat de mogelijkheid tot verlenging. Deze verlengingstermijn is evenwel verkort van vijf maanden naar vier maanden.

Ook heeft de Uitvoeringswet ertoe geleid dat de openbaarmakingstermijn is verkort van dertien maanden naar twaalf maanden. De nieuwe termijn van twaalf maanden geldt, ongeacht andersluidende in de statuten bepaalde termijnen. Overigens blijven beursgenoteerde vennootschappen verplicht tot openbaarmaking binnen vier maanden.

De verkorte openbaarmakingstermijn moet goed in het oog worden gehouden. Ingeval van faillissement wordt immers aangenomen dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door bestuurders indien de jaarrekening niet-tijdig openbaar is gemaakt. Bestuurdersaansprakelijkheid is dan min of meer een vaststaand gegeven.

 

4. Groottecriteria

 

Voorts heeft de Uitvoeringswet ertoe geleid dat de drempels voor het kwalificeren van rechtspersonen ‘groot’, ‘middelgroot’, ‘klein’ zijn verhoogd. Tevens is een nieuwe categorie gecreëerd, te weten die van de micro-ondernemingen.

In welke categorie de rechtspersoon valt, is afhankelijk van de criteria ‘netto-omzet’ (omzetcriterium), ‘aantal werknemers’ en ‘de waarde van de activa’ (balanscriterium). Een rechtspersoon die op twee opeenvolgende balansdata aan tenminste twee criteria voldoet, mag gebruik maken van de in de wet genoemde vrijstellingen. De vrijstellingen voor kleine en middelgrote rechtspersonen zijn ongewijzigd gebleven.

Het balanscriterium voor kleine rechtspersonen is verhoogd naar € 6.000.000,00 en het omzetcriterium naar € 12.000.000,00. Het balanscriterium voor middelgrote ondernemingen is verhoogd naar € 20.000.000,00 en het omzetcriterium naar € 40.000.000,00.

Voor zogenoemde micro-ondernemingen (waarde activa niet meer dan € 350.000,=, netto-omzet niet meer dan € 700.000,00 en minder dan tien werknemers) geldt slechts de plicht tot openbaarmaking van een verkorte balans. Zij zijn dus vrijgesteld van de verplichting tot het opstellen van een uitgebreide balans, een uitgebreide winst- en verliesrekening, een toelichting op de balans en een bestuursverslag. Evenmin is een micro-onderneming verplicht de jaarrekening te laten onderzoeken door een accountant.

 

Slot

 

Of met deze wijzigingen alle in de inleiding beoogde doelen van de Uitvoeringswet en Richtlijn zullen worden bereikt, is natuurlijk de vraag. De toekomst zal het leren.